Het goed regelen van juridische zaken door hosters

Het belang van het goed regelen van de juridische zaken door een hoster is te vinden in een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van vorig jaar. In die rechtszaak ging het om het feit dat aan een klant domeinnamen en webhosting was geleverd en de klant een groot aantal facturen hiervoor onbetaald had gelaten. Daarom weigerde de hoster ook mee te werken aan de verhuizing van de domeinnamen door de klant. De verweren van de klant waarvan er één zelfs slaagt laat heel goed zien waarom het belangrijk is dat een hoster zijn juridische zaken goed regelt.

Het eerste verweer dat de klant voert is dat de hoster hem ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor domeinnamen die aantoonbaar niet op zijn naam staan:

[De hoster] heeft daartegen ingebracht (punt 13 memorie van antwoord) dat met enige regelmaat domeinnamen op uitdrukkelijk verzoek van [Appellant] anoniem op naam van [De hoster] zijn geregistreerd. Dit gebeurde ook in 2016 nog, zo heeft zij aan de hand van een voorbeeld uit november 2016 toegelicht, waarbij [Appellant] het domein [een domein] juist op naam van [De hoster] heeft gezet. De in dat kader door [De hoster] overgelegde productie 3 waarin SIDN de wijziging van de houdsternaam aan hem bevestigt, is door [Appellant] ook niet weersproken. Voor al deze anonieme tenaamstellingen zijn hem ook facturen gestuurd en juist de facturen dienen als bewijs dat de domeinen feitelijk van [Appellant] zijn, aldus [De hoster].

Het staat er echt. De domeinnamen zijn geregistreerd op naam van de hoster. Daarom staan deze dus niet op naam van de klant zelf. Daarom hoeft de klant dus ook niet voor de domeinnamen te betalen. Het gerechtshof noemt dit verweer “bepaald te mager”. Het is namelijk evident dat de domeinnamen in opdracht van de klant zijn geregistreerd. Echter is het wél goed om te beseffen dat het “anoniem registreren” van een domeinnaam tot een dergelijke stelling van een klant kan leiden. Het is dus belangrijk om dit goed te documenteren. In deze casus mag het evident zijn echter weet je niet wat voor onzin een klant nog meer kan bedenken waardoor een soortgelijk standpunt wél gehonoreerd zal worden door een rechter.

De klant heeft ook nog een ander verweer. De hoster heeft hem te grote en daarmee te dure pakketten aangesmeerd zo stelt de klant:

[Appellant] heeft voorts ten verwere aangevoerd dat [De hoster] ten onrechte kosten in rekening gebracht voor (te omvangrijke) L en M hostingpakketten/groeiplannen. [De hoster] heeft [Appellant] ten onrechte voorgehouden dat hij verplicht was gebruik te maken van twee grote L Linux hostingpakketten om de diverse domeinnamen daaraan te kunnen koppelen. Die pakketten zijn overduidelijk te groot voor de behoefte van [Appellant] . [De hoster], die de behoefte van [Appellant] kende, heeft nagelaten om aan [Appellant] een passender (goedkoper) hostingpakket aan te bieden. Ook heeft [De hoster] verzuimd om te voldoen aan diverse verzoeken van [Appellant] om de pakketten naar beneden bij te stellen, aldus [Appellant] .

[De hoster] heeft gemotiveerd betwist dat zij [Appellant] dure pakketten heeft ‘aangesmeerd’. Het is, aldus [De hoster], aan de klant zelf te bepalen welke pakketten hij bij zijn behoefte vindt passen. Volgens [De hoster] heeft [Appellant] zelf de keuze gemaakt voor de dure pakketten omdat hij die nodig had voor meerdere domeinen. Bij goedkopere pakketten ontbrak daarvoor de capaciteit.

Het staat er echt. De hoster had volgens de klant hem een passender pakket moeten aanbieden. Het zou toch wat zijn als een hoster een dergelijke zorgplicht tegenover zijn klanten zou hebben. Het gerechtshof leest in de stelling een beroep op dwaling. Ik zie er echter óók een beroep op de zorgplicht van de hoster in. Die je zou kunnen vergelijken met die van een bank bij (complexe) financiële producten. Daarbij zij opgemerkt dat door de advocaat van de klant dit blijkbaar niet nader geëxpliceerd is, daarom kan het gerechtshof dit verweer naar eigen inzicht interpreteren:

Op grond van artikel 6:228 lid 1, aanhef en sub a, BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling vernietigbaar, indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten.

[Appellant] heeft geen bewijs aangeboden van zijn door [De hoster] betwiste stelling dat [De hoster] hem bij het aangaan van de overeenkomst van onjuiste informatie heeft voorzien zonder welke hij de overeenkomst niet (onder dezelfde voorwaarden) zou hebben gesloten. Het hof verwerpt derhalve [Appellant] ’s beroep op dwaling.

Omdat [Appellant] zelf de keuze heeft gemaakt voor de aanschaf van deze hostingpakketten en niet gebleken is van een wilsgebrek, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien op grond waarvan van [De hoster] verwacht had mogen worden dat zij [Appellant] , gelet op diens (volgens [Appellant] beperkte) gebruik van de pakketten, uit eigen beweging zou voorstellen een goedkoper pakket te nemen (‘te downgraden’). [Appellant] heeft daarvoor geen rechtsgrond aangevoerd.

De klant heeft later wel in in een e-mail aan de hoster om verzocht zijn pakketten te downgraden naar de goedkoopste variant:

[Appellant] heeft in punt 16 van de memorie van grieven aangevoerd dat hij diverse malen heeft gevraagd de hostingpakketten te downgraden (te wijzigen in lichtere (goedkopere) hostingpakketten). Daartoe was hij ook gerechtigd nu hij al langer dan een jaar de diensten van [De hoster] afnam. [Appellant] stelt dat hij op 24 maart 2014 bij [De hoster] langs is geweest en dat hij vervolgens heeft gevraagd om bijstelling van de hostingpakketten. Als productie 3 bij conclusie van antwoord/eis en als productie 11 bij memorie van grieven heeft [Appellant] een brief van 16 april 2014 in het geding gebracht waarin [Appellant] aan [De hoster] schrijft: “Naar aanleiding van ons gesprek van 24 maart j.l. verzoek ik jullie vriendelijk om alle hostingpakketten aan te passen naar het kleinste pakket. De meeste domeinen linken alleen maar door en zijn niet in gebruik en hopen ook geen email adres. Omdat ik domeinen niet mag verhuizen wil ik daar zeker op kunnen besparen.” Volgens [Appellant] kost het goedkoopste hostingpakker € 30,- exclusief btw per jaar (derde bladzijde, zesde alinea, conclusie van antwoord).

De stelling van de hoster dat hier een speciaal formulier voor moet worden gebruikt is nergens uit gebleken zo stelt het hof. Ook staat er niks over in de algemene voorwaarden. Daarnaast had de hoster hier dan in elk geval iets over moeten opmerken en niet doodleuk kunnen negeren en derhalve de duurdere pakketten blijven factureren:

[De hoster] is bij memorie van antwoord in het geheel niet ingegaan op de in de vorige rechtsoverweging bedoelde stelling van [Appellant] . Zij heeft de ontvangst van de brief van 16 april 2014 niet betwist en zij heeft evenmin bestreden dat [Appellant] met die brief heeft gevraagd om de twee hostingpakketten te downgraden naar minimumpakketten. Omdat [Appellant] op grond van de toepasselijke voorwaarden gerechtigd was de tussen partijen bestaande duurovereenkomst in zoverre eenzijdig aan te passen, moet het ervoor worden gehouden dat dat [De hoster] ten onrechte heeft verzaakt deze contractswijziging door te voeren.

Voor zover [De hoster] zich op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om te downgraden door middel van een daartoe bestemd formulier (via de internetsite van [De hoster]) had moeten worden gedaan, zoals uit punt 10 van de memorie van antwoord/grieven kan worden afgeleid, heeft [De hoster] naar het oordeel van het hof nagelaten dat standpunt te onderbouwen. [De hoster] heeft niet gesteld dat in de algemene voorwaarden is bepaald dat een dergelijk verzoek aan vormvoorschriften moet voldoen om in behandeling te kunnen worden genomen; het hof heeft dat dat ook niet in de algemene voorwaarden kunnen vinden. Bovendien had, indien het zo is dat een dergelijk verzoek met een speciaal formulier moest worden ingediend, van [De hoster] mogen worden verwacht dat zij [Appellant] daarop zou hebben gewezen. Dat [De hoster] dat naar aanleiding van de brief van 16 april 2014 heeft gedaan is door [De hoster] niet gesteld en is het hof ook niet anderszins gebleken.

Dit zorgt ervoor dat het gerechtshof tot de conclusie komt dat vanaf dit moment de goedkopere pakketten in rekening hadden moeten worden gebracht. Het bedrag dat de klant moet betalen wordt derhalve aanzienlijk verlaagt door het gerechtshof:

In plaats van die bedragen (€ 548,49 en € 406,92) zal het hof dit onderdeel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 150,- (5 x € 30,-), te vermeerderen met 21% btw, derhalve € 181,50 in totaal.

De met de desbetreffende facturen meegevorderde aanmaningskosten zal het hof afwijzen. De aanmaningen zijn immers (grotendeels) ten onrechte verstuurd.

Als laatste komt het gerechtshof uit bij de vraag of dat de hoster dient mee te werken aan de verhuizing van de domeinnamen van de klant. Het gerechtshof legt glashelder uit dat dit wel mag:

Op grond van artikel 6:262 BW is, indien een van de partijen bij een wederkerige overeenkomst haar verplichting niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten.

Tegenover de verplichting van Hosting.nl om de domeinnamen waarop de tussen partijen gesloten overeenkomst ziet aan [Appellant] ter beschikking te stellen, staat de verplichting van [Appellant] om de daarvoor overeengekomen vergoeding aan Hosting.nl te betalen. Vaststaat dat [Appellant] in gebreke is gebleven om de periodieke vergoeding (tijdig) te betalen. Uit genoemd artikel volgt naar het oordeel van het hof dat Hosting.nl haar daartegenover staande verplichting kan opschorten. Ook in artikel 12.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden is geregeld dat Hosting.nl bevoegd is tot opschorting van haar diensten, namelijk indien de verschuldigde vergoeding niet binnen 14 dagen na de betalingsherinnering is betaald. Anders dan [Appellant] heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof het meewerken aan de verhuizing van de domeinnamen naar een andere hostingprovider ook als een verplichting op grond van de overeenkomst aan te merken, of als dienst in de zin van de algemene voorwaarden, die zich voor opschorting leent. Bovendien vordert [Appellant] in hoger beroep niet langer om Hosting.nl te gelasten mee te werken aan de verhuizing van de domeinnamen, maar om Hosting.nl te veroordelen de domeinnamen vrij te geven (zonder meer). Het vrijgeven van de domeinnamen, in die zin dat die weer aan [Appellant] ter beschikking worden gesteld om te kunnen worden gebruikt, is zonder meer als een verplichting in de zin van artikel 6:262 BW en als dienst in de zin van de algemene voorwaarden aan te merken die zich leent voor opschorting.

De conclusie is dat het beroep op opschorting slaagt, zodat Hosting.nl niet gehouden is [Appellant] in de gelegenheid te stellen gebruik te kunnen maken van de domeinnamen zolang hij in gebreke blijft voor die domeinnamen de overeengekomen vergoeding te betalen.

Grief 3 faalt.

Interessant is hierbij nog om op te merken dat in de algemene voorwaarden van SIDN iets anders staat over het niet meewerken aan verhuizingen. Ik kom hier echter geen verwijzing naar tegen. Wel zie ik dat de advocaat van de klant in een e-mailwisseling voorafgaand aan de initiële rechtszaak expliciet stelt dat “NL domeinnamen” niet gegijzeld mogen worden. Ook hier zie ik géén verwijzing naar SIDN of .nl-domeinnamen. Rechters gaan echt niet uit eigen beweging (ambtshalve) aan de algemene voorwaarden van SIDN toetsen.

Uw cliënt is op de hoogte van de gevolgen door juist niet mee te werken aan deze verhuizing. Het is niet toegestaan om NL domeinen te gijzelen en daarmee een betaling af te dwingen. Ik heb duidelijk geschreven wat er mis is met de vordering van uw cliënt. Daar komt geen verweer of antwoord op. (…)

Verder eist de hoster ook dat er nog een aantal facturen door de klant moeten worden betaald die zijn verstuurd ná het vonnis van de rechtszaak in eerste aanleg. Daarbij is interessant dat de het gerechtshof overweegt dat de verhuizing van een domeinnaam niet automatisch inhoudt dat daarmee het webhostingpakket waar het aan gekoppeld is ook automatisch is opgezegd:

Anders dan [Appellant] in punt 10 van zijn memorie van antwoord in incidenteel appel heeft aangevoerd hebben de facturen met nummers 2010570222 en F2012557379 geen betrekking op de volgens [Appellant] verhuisde domeinnaam [domein] als zodanig, maar op het aan die domeinnaam gekoppelde hostingpakket. Productie 1 bij die memorie (een factuur van een andere provider van 1 december 2016 voor [domein]), welke productie [Appellant] in het geding heeft gebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat verhuizing heeft plaatsgevonden, lijkt betrekking te hebben op de domeinnaam, en niet op het hostingpakket, zodat het hof aan die productie voorbijgaat. Bovendien heeft [De hoster] niet meer op die productie kunnen reageren.

Nu door [Appellant] niet is gesteld en het hof ook niet anderszins is gebleken dat verhuizing van een domeinnaam noodzakelijkerwijs ook de verhuizing of beëindiging van het hostingpakket meebrengt, kan het verweer van [Appellant] dat de domeinnaam is verhuisd hem niet baten. Dat [Appellant] (ook) het desbetreffende hostingpakket heeft beëindigd is gesteld noch gebleken.

Wel volgt uit de rechtsoverwegingen 5.5.5 en 5.5.6 in het principaal appel dat [De hoster] voor het hostingpakket niet meer dan € 30,- per jaar, te vermeerderen met btw, in rekening kan brengen.

Hier zit ook weer een belangrijk punt voor hosters om zich te realiseren dat dit verweer door een klant kan worden gevoerd. Dit verweer zou namelijk onder omstandigheden wél kunnen slagen. Het laat ook precies zien waarom het zo belangrijk is om juridische zaken goed te regelen door hosters. Wanneer je een dergelijk geval goed regelt zodat er vooraf duidelijkheid voor is dan is de ruimte voor de klant om daar iets anders over te stellen véél kleiner. Hoe meer en hoe beter je dit soort dingen ondervangt in je algemene voorwaarden als hoster. Hoe kleiner de kans is dat er gedoe over kan komen.

Daarom is dit arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zo mooi omdat het héél gedetailleerd is. Daarmee geeft het hosters een duidelijke leidraad. Daarnaast is het voor mij persoonlijk een opfriscollege gezien ik bij mr. R.F. Groos, een van de rechters in deze zaak, tijdens mijn rechtenstudie aan de UvA college heb gelopen bij het vak contractenrecht. Het volledige arrest is hier te lezen.